Gezamenlijk persbericht DSM, Maastricht UMC+ en Maastricht University:
DSM en het Maastricht Universitair Medisch Centrum+ (het academisch
ziekenhuis Maastricht en de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences van
de Universiteit Maastricht) kondigen vandaag aan dat de drie projecten die in
het kader van de in 2005 gestarte Bioterials samenwerking zijn opgestart,
succesvol zijn afgerond. De projecten hebben de verwachtingen meer dan
waargemaakt, met succesvolle preklinische studieresultaten en het afronden van
de opleiding van drie jonge promovendi. De samenwerking is opgezet met het
doel de biomedische activiteiten in Limburg te versterken en heeft zich
gericht op de ontwikkeling van nieuwe behandelingen van hart- en vaatziekten
op basis van biomedische materialen. De samenwerking werd mogelijk gemaakt
door de Provincie Limburg en het Ministerie van Economische Zaken.
Bij biomedische materialen gaat het om lichaamsvreemde materialen voor herstel
en ondersteuning van lichaamsfuncties. In het Bioterials programma richtte het
eerste onderzoek zich op de ontwikkeling van een innovatief afbreekbaar
implantaat waarmee middels gecontroleerde afgifte van een medicijn het
hartritme van de patiënt direct na hartchirurgie onder controle gehouden kan
worden. Inmiddels hebben initiële preklinische onderzoeken tot positieve
resultaten geleid. Het zal naar verwachting nog enkele jaren onderzoek vergen
voor een dergelijk product op de markt kan worden geïntroduceerd.
Projectleider prof.dr. Leo Koole: “De komende jaren zal het accent vooral
komen te liggen op de ontwikkeling van een patch (“pleister”), die niet alleen
zorgt voor de geleidelijke afgifte van het geneesmiddel aan het hart, maar die
na afloop van de behandeling ook als het ware oplost zodat er geen
complicaties op lange termijn voor kunnen komen. Het zal zeker nog vijf jaar
duren voor dit product in de fase van klinische toepassingen kan komen.”
In het tweede project is gewerkt aan de ontwikkeling van gecontroleerde
afgifte van een medicijn dat, plaatselijk, de vorming van nieuwe bloedvaten en
-vaatjes stimuleert. Dit is vooral van belang bij patiënten met diabetes die
vaak te maken hebben met slechte doorbloeding van hun ledematen. Dit nieuwe
concept heeft eerste positieve resultaten laten zien in vroeg preklinisch
onderzoek. Dit project zal verder ontwikkeld worden binnen een nieuw opgezet
samenwerkingsverband in het kader van het BioMedical Materials programma
(BMM), een publiek-privaat samenwerkingsverband binnen Nederland dat zich
richt op onderzoek en ontwikkeling op het gebied van biomedische materialen.
Het derde onderzoek richtte zich op nieuwe materialen die, bij contact met
bloed, complicaties verminderen zoals bijvoorbeeld stolling en infectie. Er is
grote behoefte aan dergelijk materiaal, vooral wanneer het bloed langdurig in
contact is met medische hulpmiddelen gefabriceerd van een lichaamsvreemd
materiaal. Marc Hendriks, R&D Directeur DSM Biomedical: “De geboekte
resultaten in dit programma zijn positief en de ontwikkelingen passen dusdanig
goed in de scope van DSM’s biomedische activiteiten, dat de
productontwikkeling wordt voortgezet door DSM.“
Naast de concrete projectresultaten heeft de gezamenlijke focus op de
ontwikkeling van biomedische materialen ook bijgedragen aan de totstandkoming
van het al eerder gerefereerde BioMedical Materials programma. Dit
onderzoeksprogramma, met een budget van € 90 miljoen, zal de komende jaren de
leidende positie die Nederland in de wereld inneemt op het gebied van
biomedische materialen verder versterken. Verder heeft DSM biomedische
materialen inmiddels als één van de speerpunten van haar lange-termijn
innovatiebeleid bepaald. In 2012 wil het bedrijf € 100 miljoen omzet in deze
markt realiseren.
De succesvolle samenwerking opent de deur voor nieuwe publiek-private
projecten om de kenniseconomie in Limburg te versterken. “Het Bioterials
project heeft ons als wetenschappers duidelijk vooruit geholpen. We doen als
Maastricht UMC+ mee aan de wereldtop, dat blijkt consequent op de grote
internationale conferenties en in de belangrijkste vaktijdschriften”, aldus
projectleider prof.dr. Leo Koole. “Daar mogen we best een beetje trots op
zijn. Het vakgebied zorgt ook voor een unieke samenwerking met de omringende
universiteiten, met name de RWTH Aken en de Université de Liège. We slagen
erin om steeds meer wetenschappelijke synergie te bereiken door contact met
onze Euregionale collega’s, en ook om daarmee subsidies binnen te halen. Nu de
business-kant nog, want veel van onze research kan best vertaald worden in
verkoopbare producten. Wij verwachten veel van nieuwe initiatieven op Chemelot
en van alle ambities in het kader van de Technologische Top Regio.”